© Atlas

Nederlands oefenen tijdens een sportactiviteit? 4 tips

Sporting A laat anderstaligen Nederlands oefenen tijdens het sporten. Verantwoordelijke Niels Van Dyck, An Geukens NT2-vrijwilligster en yoga-instructeur en jobstudent Martin Mills organiseren tijdens de zomer samen met Atlas een sportweek. Ook de fietsschool van Sporting A verbindt sporten met Nederlands leren. Samen geven ze tips om Nederlands op een authentieke manier te oefenen tijdens een sportactiviteit.

Nederlands oefenen tijdens een sportactiviteit? 4 tips

Sporting A laat anderstaligen Nederlands oefenen tijdens het sporten. Verantwoordelijke Niels Van Dyck, An Geukens NT2-vrijwilligster en yoga-instructeur en jobstudent Martin Mills organiseren tijdens de zomer samen met Atlas een sportweek. Ook de fietsschool van Sporting A verbindt sporten met Nederlands leren. Samen geven ze tips om Nederlands op een authentieke manier te oefenen tijdens een sportactiviteit.
© Atlas

Tip 1: Stel de deelnemers op hun gemak

Als deelnemers zich goed voelen, dan verloopt de activiteit vlotter en durven ze meer te spreken. An stelt al van bij de aankomst eenvoudige vraagjes om een vertrouwensband op te bouwen. An: ‘Vraagjes zoals: “Heb je de locatie makkelijk gevonden” of “Hoe ben je naar hier gekomen?” helpen al enorm. Maar dat kan je enkel doen als je minstens een half uur op voorhand aanwezig bent en als het materiaal al klaarligt.’

'Je moet als trainer met de mensen durven babbelen, of ze nu goed Nederlands spreken of niet. Die losse babbeltjes zijn even belangrijk als de les sporttechnisch voorbereiden.'

Niels coacht de sportmonitoren en vertelt ook dat veel babbelen belangrijk is: ‘Je moet als trainer met de mensen durven babbelen, of ze nu goed Nederlands spreken of niet. Die losse babbeltjes zijn even belangrijk als de les sporttechnisch voorbereiden.’ Pedro, monitor bij de fietsschool, merkt zelfs op dat als hij als trainer complimenten geeft, de deelnemers meer moeite doen om Nederlands te spreken.

Om de sporters nog meer op hun gemak te stellen, verbeter je hun fouten best niet expliciet. Fietsschoolinstructeur Ryan pikt in op wat een deelnemer zegt, maar geeft in zijn reactie wel de juiste woorden mee. Zo tast hij de spreekdurf of het zelfvertrouwen van zijn deelnemers niet aan: ‘Als een deelnemer zegt: “Stoel laag”, dan antwoord ik: “Zit je zadel laag?”’.

Tip 2: Maak afspraken over het taalgebruik

In het begin van de les herhaal je best dat je verwacht dat de sporters Nederlands spreken. Andere talen spreken is niet verboden, maar het is wel belangrijk om duidelijke afspraken te maken wanneer het wel kan en wanneer niet. Martin pakt dat meestal op een ludieke manier aan: ‘Als deelnemers uit hetzelfde land komen, dan praten ze graag in hun eigen taal met elkaar. Soms roep ik dan “Wablieft?!” om op een grappige manier te vragen dat ze alsjeblieft Nederlands proberen te spreken.’

'Mijn deelnemers krijgen de vrijheid om andere talen te gebruiken als ze iets niet begrijpen. Zo hebben ze minder stress tijdens de fietsoefening.’

Oscar, monitor van fietsschool, vertelt zijn tactiek: ‘Mijn deelnemers krijgen de vrijheid om andere talen te gebruiken als ze iets niet begrijpen. Zo hebben ze minder stress tijdens de fietsoefening.’

Als deelnemers een andere taal spreken of woorden uit andere talen gebruiken in hun Nederlandse zinnen schakelen de begeleiders altijd terug naar het Nederlands.

Bijvoorbeeld:
Deelnemer: ‘Ik ben scared.’
Trainer: ‘Ben je bang? Je hoeft niet bang te zijn.’

Tip 3: Laat vooral de deelnemers aan het woord

Niels vertelt dat het een valkuil kan zijn dat je als trainer te veel aan het woord bent. Hoe meer je zelf spreekt, hoe minder taaloefenkansen je creëert. Je kan dat opvangen door veel vragen te stellen en de deelnemers aan het woord te laten: ‘Vragen als: “Hoe moet je dat juist doen?”, “Kan je me dat uitleggen?”, “Welke voet staat nu vooraan en waarom?” zijn erg nuttig. Ze vergroten het sporttechnisch inzicht en bieden een taaloefenkans die aansluit bij de sportactiviteit.’  

An stelt vast dat extra taal stimuleren niet zo gemakkelijk is voor alle begeleiders. Trainers hebben al snel het gevoel dat de les vertraagt. Dat is niet de bedoeling. De cooldown en opwarming zijn dan makkelijke momenten om bijvoorbeeld extra taal te oefenen. Bij het begin van de les kan je ook vragen wat de deelnemers zich nog herinneren van de vorige les, of dat iemand pijn heeft of stijf is. Martin gebruikt de opwarming om nieuwe woorden in te oefenen. Voor de sportles boogschieten stonden er kegels opgesteld met lichaamsdelen op. Martin riep een lichaamsdeel en de deelnemers probeerden de juiste kegel te raken.

Maar ook tijdens de les kan je heel wat spreekkansen creëren. Zo oefent An met haar groepen op de zonnegroet, een opvolging van yogabewegingen. Na een paar lessen vraagt ze of iemand anders de instructies kan geven.

Tip 4: Differentieer op basis van taalniveau

Duidelijke instructies, traag spreken en de oefening demonstreren terwijl je praat, zorgen er meestal voor dat iedereen je goed begrijpt. Maar soms is er meer nodig. Bij groepen met een lager taalniveau raadt An aan om vaak dezelfde woorden te gebruiken zodat ze actieve kennis worden.

Als je vragen stelt tijdens de les, werk je bij een lager taalniveau best met gesloten vragen.

Voorbeeld
Je vraagt dan niet: ‘Wat is belangrijk bij deze oefening?’
Maar wel: ‘Moet je voet naar voor of naar achter staan?’
Je vraagt niet: ‘Wat zijn de verschillende stappen bij deze oefening?’
Maar wel: ‘Wat doe je bij stap 1?, ‘Wat doe je met je handen? Doe je ze omhoog of omlaag?’.

Bij een groep met een hoger taalniveau kan je als trainer de sporters zelf instructies laten geven, feedback formuleren of discussiëren over tactiek bij een groepssport.

 

Zorg jij voor een taaloefenkans bij een sportles? Bekijk dan zeker ook de video's en het draaiboek van Sporting A ter inspiratie. 

Bekijk ook